woensdag 10 juni 2020

Nu je me bij mijn naam genoemd hebt




Iedere zandkorrel een universum van glas; miljoenen spiegels, de onophoudelijke schittering en weerkaatsende hitte. Waarom iedere ochtend wakker worden? Waarom steeds maar verder gaan? En waarheen? Het levert niets op, behalve de hunkering naar koelte, de aandrang de ogen opnieuw te sluiten om al dat licht maar niet hoeven te zien.
Ooit was ik best een aardige vent geweest, geloofde ik, maar nu paste ik steeds beter tussen de schurken in mijn favoriete film Once Upon a time in the WestIn een van de beginscènes zie je een meisje voor een houten huis een eettafel dekken. Een man loopt naar de pomp, schijnbaar om zijn handen te wassen. De lucht zindert van de hitte. Krekels tsjirpen uitgelaten. Plotseling vallen de krekels stil. Het meisje en de man kijken verontrust om zich heen. De man laat zijn blik over het landschap dwalen. Hij ziet alleen struiken en hoort de wind daartussen blazen. Een stel patrijzen schiet uit de bosjes en het meisje kijkt er opgelucht naar. De camera zwenkt weer naar de patrijzen. Er valt een schot. De man schrikt. Het meisje valt. De man schreeuwt haar naam en tracht naar haar toe te rennen. Hij wordt door ettelijke schoten geveld. Ook een jongen die juist met paard en kar uit een schuur komt wordt getroffen. De man is nog steeds niet dood en tracht bij zijn pistool te komen. Hij krijgt het genadeschot. Een roodharig spichtig jochie komt uit het huis gerend. Een snijdende gitaar onderstreept de dramatiek van de scène. Het jochie laat zijn blik over de dode lichamen gaan. Er komen vijf mannen in lange jassen uit de struiken opduiken. Ze lopen op het jongetje toe dat angstig afwacht. We zoomen in op een pruimende Henry Fonda. Zijn gezicht leerachtig, zijn ogen staalblauw. Hij glimlacht tegen het jongetje en even verzachten zijn trekken.
‘What are we gonna do with this one Frank?’ vraagt een van de anderen hem. Zijn blik verhard, hij kijkt opzij en spuugt zijn pruim uit.
‘Now that you called me by name…’ Zijn hand gaat naar zijn colt. Het jongetje wacht angstig af. Fonda glimlacht weer tegen hem, maar nu lachen zijn ogen niet meer mee en hij drukt af.
Nu je me bij mijn naam genoemd hebt. We hadden een bejaarde buurvrouw die duidelijk niet vooraan had gestaan toen Onze Lieve Heer uitgedeeld had. Ze lag overhoop met het hele dorp, want ze deed ook hele rare dingen. Vuilnis bij andere mensen dumpen, planten uit andere mensen hun tuin stelen. Uit onze tuin stal ze een trapje en ik liet het maar zitten. Ze hield kanaries in een grote volière, maar die gingen dood door bloedluis, want het dak was doorgezakt en lekte. Ik trachtte het voor haar dicht te kitten, maar de vogeltjes bleven maar dood gaan. Ze gaf mij daar achter mijn rug om de schuld van. Ik liet het maar zitten. Als ze weer eens van haar fiets gesodemieterd was, maakte mijn vrouw haar wonden schoon en verbond en bepleisterde haar. Dit zou nog eens verkeerd aflopen, wisten we, maar dat deed het niet. Als er iets te vieren viel hing ik de vlag voor haar op en ik haalde die er ook weer af. Toen haar televisie het niet meer deed trachtte ik die te repareren, maar dat lukte me niet. Ik kon haar telefoon evenmin repareren. Ze vertelde achter mijn rug om dat ik die apparaten vernield had. Ik liet het maar zitten. Op een dag zette ze keiharde marsmuziek aan. Dat duurde uren en ik ging naar haar toe of het wat zachter mocht. Vanaf die dag draaide ze iedere dag harde marsmuziek en toen ik weer bij haar aanbelde begon ze luidkeels tegen me te mopperen. Ik verloor mijn zelfbeheersing en begon tegen haar te schreeuwen en schelden en haatte mezelf daarna. Maar ik haatte haar nog meer. Toen ik hoorde dat ze van de trap gevallen was en een nacht machteloos in de hal had gelegen, want van alles en nog wat gebroken, wenste ik dat ze haar nek gebroken had.
Volgens mij zat het in onze genen. Onze naaste neef, de chimpansee, voerde immers ook oorlog met andere groepen van dezelfde soort en joeg op andere soorten apen en vraten die ook op. Onze historie was ook één lange aaneenschakeling van oorlog en genocide geweest. Mannen die bewonderd werden waren gewoon moordenaars. Julius Caesar pleegde genocide op de Galliërs. Karel de Grote op de Saksen. Onze zogenaamde Christelijke moreel verheven kruisvaarders moordden hele steden uit in het Midden-Oosten, om maar niet te spreken over de moordpartijen op Joden in Europa. De goede overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog hadden massaal burgers gebombardeerd en zelfs atoombommen gebruikt.
En dan nog die oliemaatschappijen die tegen beter weten in door waren gegaan met winst maken en zelfs actief bezig waren geweest duurzame oplossingen te frustreren. Milieuvervuiling en klimaatverandering als winstmodel zagen…Mensen waren er rijk door geworden, maar diezelfde mensen waren nu net zo dood als alle anderen.
Nu had ik De mythe van Sisyphus van Albert Camus gelezen. Dat was voor ik een moordenaar werd. Nee wacht, dat zat al in mij. Ik had altijd al een moordenaarsmentaliteit gehad. Ik was beschermend naar mijn eigen groep toe en agressief naar anderen. Daar zat waarschijnlijk ook de crux: de tegenstelling tussen het intellect en het primitieve beestenbrein. Dat laatste brein dat altijd maar meer, meer, meer wilde, dat hunkerde naar genot en luxe en dat dan het liefst zonder dat het teveel zou kosten. En dan dat intellect dat maar bleef fluisteren over ontwikkeling en matiging en je constant bestookte met dat nare geweten. Ik had altijd geleden onder dat innerlijk conflict, was me erg bewust van mijn eigen inconsequente levenshouding.
Ik belandde op een strand. Vuil wiegde op de oneindige oceaan. Het strand was overdekt met plastic en nutteloze gebruiksvoorwerpen uit het verleden. Modieuze lampjes. Sandalen. Krukjes. Speelgoed. My Little Pony. Schuimplastic. Blikjes. Flessen. Netten. Matrassen. Verpakkingsmateriaal. Kleine bolletjes wit piepschuim. Een déjà vu. Ooit hadden we de Waddenzee trachten schoon te maken na een stille ramp met een schip dat zijn containers had verloren. Ook toen had de noordkust bezaaid gelegen met dergelijke troep, maar bestuurders hadden in hun onmachtige middelmatigheid de situatie destijds grotendeels gebagatelliseerd, zoals ze dat overal gedaan hadden met de ondergang van de planeet.
            Ik strompelde het vuile water in en liet me van de kust af drijven. Ik zonk langzaam naar de bodem, het vuilnis sloot zich terug aaneen boven mijn hoofd en ik sloot mijn ogen.

©Lammert Voos

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het zwijgen

het raam is vuil, buiten staat de wereld stil en raakt mij niet   als jij weg zou gaan wie zou ik dan nog zijn?   het raam i...