dinsdag 21 april 2020

Zondeval


Toen ik een jaar of vijf was maakte ik lange zwerftochten op mijn rode fietsje door de omgeving. Ik droeg altijd een plastic roze helmpje en imiteerde mijn vader die op een Zündappbrommer mensen in de omgeving bezocht. Hij noemde die mensen klanten, maar in feite waren het werklozen die hij moest controleren op bijverdienen.
Pa had een lange bruine leren jas die hem tegen regen en wind beschermde. Hij droeg grote leren handschoenen en een pothelm met leren flappen aan de zijkant. Als hij zijn motorbril opzette zag hij eruit als de piloot van een jachtvliegtuig en vond ik hem enorm stoer. Kennelijk voelde hij dat zelf niet zo, want op een dag had hij de Zündapp ingeruild voor een auto, een lichtgele DKW.
Samen met een buurman bouwde hij een garage achter ons nieuwbouwhuis, die hij donkergroen verfde. De DKW paste er precies in, maar pa was vergeten dat de portieren ook nog open moesten kunnen, je moest nogal wat moeite doen om uit te stappen. Later dat jaar kocht hij een nieuwe VW Kever. Iedereen had een VW Kever. Ik vond het een auto van niks.
Mijn vader hield niet van veranderingen, zei hij, maar dat stond in schril contrast tot alle nieuwe dingen die hij kocht. Zolang het maar voor zichzelf was, had hij nergens problemen mee. Als ma onder de douche ging, iets wat ze vaak deed, verzuchtte hij dat water niet gratis was. De wc mocht ik niet doorspoelen na het plassen. ‘Daar kan best nog een plasje bovenop,’ zei hij, ‘doortrekken kost iedere keer zeven liter water.’ Ik moest kokhalzen van de geur van pis, maar durfde niet door te trekken, ook niet stiekem.
Tussen de garage en ons huis bouwde pa een volière. Hier deed hij kwartels, zebravinkjes en kanaries in. De kwartels werden opgevreten door ratten en de zebravinkjes vielen om onverklaarbare redenen steeds van hun stokje, dus legde pa zich toe op het kweken van kanaries. Met zijn oranje kanaries won hij een prijs bij de jaarlijkse vogeltentoonstelling in een schuur achter het dorpscafé. Dat café lag aan een lange laan die omzoomd werd door kastanjebomen. Als de kastanjes van de boom vielen verzamelde ik die en maakte er met cocktailprikkertjes mannetjes van. Ik gebruikte eikels als hoofd.
De laan liep naar de kerk waar een monument stond waar de namen op stonden van verzetsmensen die in de oorlog waren doodgeschoten. Ik reed daar op mijn fietsje naartoe en las de namen keer op keer. De verzetsmensen waren er niet meer, maar ook toch weer wel. Ik dacht daar over na, maar kon het niet bevatten.
Op een dag fietste ik de Ambonezenwijk in. De mensen lachten vriendelijk naar me. Een donkere Ambonese man bracht me thuis achter op zijn fiets. Zijn zoon fietste op mijn fietsje mee, het was eigenlijk veel te klein voor hem, zodat zijn benen wijd naar buiten staken. Ma weigerde de uitgestoken hand van de Ambonees, maar gaf hem wel een gulden. Pa was erg boos op me en zette mijn fietsje achter slot en grendel. Pas een week later kreeg ik het terug.
Aan de rand van het dorp lag een bos waar een spoorlijn doorheen liep. Daar reden goederentreinen overheen. Eigenlijk mocht ik daar niet komen, maar ik ging er toch naartoe.
Ik zocht grote kiezelstenen tussen de bielzen en rails, legde die op het spoor en keek toe als ze verpulverd werden door de trein. Ik kon er niet over uit dat er iets bestond dat zo iets hards als een steen verpulveren kon. Ik probeerde het zelf met een hamer, maar mij lukte het niet. Op de weg naar het bos zag ik eens een viertal reeën oversteken. De voorste kroop als een schaduw onder het prikkeldraad door, sprong over de sloot, keek aan de straatkant om zich heen en pas toen hij verder ging volgden de andere drie. Geluidloos zweefden ze over het asfalt.
Die dag ging ik aan de spoorlijn per ongeluk in een nest rode bosmieren liggen. Mijn lichaam zat onder de rode bulten van de beten en ik fietste huilend terug naar huis. Ma bette mijn lichaam met azijn, maar die nacht gloeide ik van de koorts. Ik had ijldromen over reeën die me overal met hun blik volgden. Ze kwamen uit de muren en onder mijn bed vandaan en bleven maar staan kijken. Ik schreeuwde van angst. Ma begreep niet dat ik zo bang was voor reeën. Toen ik beter was had ik geen zin meer om naar het spoor te gaan.
Ik verlegde mijn aandacht naar de melkfabriek. In de sloten rond de fabriek dreef schuim. Het rook er weeïg. Er hing een bordje Verboden Toegang aan een paal voor de fabriek. Ik ging toch naar binnen en zwierf over het fabrieksterrein tussen de aanhangwagens, kisten en afval. Er schoten regelmatig ratten voor me weg, maar één keer bleef er eentje zitten. Hij ging op zijn achterpoten staan en blies als een kat naar me. Achterwaarts liep ik voorzichtig weg.
Binnen in de fabriek liepen overal glimmende stalen pijpen. Er lagen plassen met melkdrab op de betonnen vloer en er hingen wolken stoom in de lucht. Als Jonas zwierf ik door het binnenste van het monster. Hoe dieper ik in het beest kwam, des te schoner het werd. De gele tegels van de vloer waren blinkend geschrobd. Ik zag mannen in witte jassen met witte cadettenpetjes op, maar zorgde ervoor zelf ongezien te blijven. In grote witte bakken dobberden klompen witte kaas. Nog dieper in de fabriek lagen de kazen rij na rij opgetast op planken.
Onverwacht voelde ik een hand op mijn schouder. Ik rook tabak en zweet. Mijn moeder nam me aan de voordeur zuchtend in ontvangst van de kaasmaker. Mijn mooie kleine rode fietsje ging wederom achter slot en grendel. Niet lang daarna verhuisden we naar de stad.

© Lammert Voos



1 opmerking:

Het zwijgen

het raam is vuil, buiten staat de wereld stil en raakt mij niet   als jij weg zou gaan wie zou ik dan nog zijn?   het raam i...