zondag 26 april 2020

Het goud van de djinn (een fabel)



Aan de rand van de woestijn, in een oase, stond een kleine karavanserai waar vermoeide reizigers hun kamelen konden drenken en zelf een wijle konden uitrusten en zich konden spijzen met dadels en geitenvlees. Het water uit de put was zuiver en zoet, de herbergier een lankmoedig en wijs man. Zo wijs dat hij liever wilde dat zijn mooie dochter gelukkig was, dan dat hij haar uithuwelijkte aan de rijke koopmannen die om haar hand dongen.
            Op een goede dag kwam een stoffige zwerver uit de woestijn gesloft, zijn kleren gescheurd, zijn baard vol knopen.
            ‘Broeder,’ zo vroeg hij de herbergier, ‘ik ben in de woestijn beroofd van mijn dieren, mijn handel en mijn laatste dirhams, maar ik heb honger en dorst, kunt u mij laven?’
            Nu was de herbergier zo wijs dat hij wist dat goede daden altijd beloond werden en hij laafde de zwerver alsof die een hoog geëerde gast was. Wat hij niet wist, was dat de zwerver een djinn was, die aan de andere kant van de woestijn gehoord had over de schoonheid van diens dochter. Hoewel het meisje altijd gesluierd was, zag hij aan haar ogen haar innerlijke glans, ze was een diamant, en hij sprak een toverspreuk over haar uit om haar te veroveren.
            Toen hij Aïsha, de woestijnroos, want zo heette ze, veroverd had, veranderde hij zelf terug in de mooie man die hij eigenlijk was. Een man met een wilskrachtige kin, hoog voorhoofd en wijze ogen die gekleed ging in schitterende witte en indigo gewaden. Omdat Aïsha zo gelukkig leek, gaf de herbergier toestemming tot een huwelijk. De djinn beloonde hem met een kist vol juwelen, de mooiste die men ooit gezien had. En zo nam de djinn Aïsha mee naar zijn paleis in de woestijn en bleef de herbergier achter met de kist juwelen en de wetenschap dat hij het juiste voor zijn dochter had gedaan.
            Nu reist nieuws snel langs de routes die de karavaans nemen en zo hoorde de sultan van de kist met juwelen. De sultan had altijd geld nodig, want hij was reeds tientallen jaren in oorlog met Bedoeïenen uit de Arabische woestijn en zij waren talrijk en oorlog is duur. Dus stuurde hij zijn grootvizier met tien soldaten naar de karavanserai om de kist met juwelen in beslag te nemen. De herbergier verzette zich hevig, maar dat kwam hem duur te staan. De soldaten onthoofden hem en gooiden zijn lijk in de waterput, wat heel dom was, want hoe moesten de karavaans zonder vers water nu in de hoofdstad komen?
            Toen de djinn dit ter ore kwam ontstak hij in grote woede, want hij was erg aan zijn zachtaardige schoonvader gehecht geraakt. Hij sprak een vloek uit zodat alle juwelen in het rijk veranderden in stront. In de hoofdstad vluchtten nu alle soldaten van de sultan voor de stank van diens rijkdom, evenals alle inwoners en uiteindelijk bleven de sultan en zijn grootvizier eenzaam achter in hun stinkende paleis van uitwerpselen.
            Helaas had de djinn in zijn grote woede een vergissing gemaakt. Bij de vervloeking had hij geen uitzondering voor de metaforen gemaakt. Zijn lieve zuivere diamant Aïsha stonk zo vreselijk uit haar mond naar excrementen dat het hem onmogelijk werd om bij haar te liggen en kinderen te verwekken, ondanks haar verleidelijke vormen en wulpse sluierdansen. Hij walgde op het laatst zo erg van haar dat hij een tent voor haar liet opzetten buiten de paleismuren en hij selecteerde een aantal dienaressen voor haar die hun reukvermogen kwijt waren geraakt. Helaas was hij niet zo’n machtige djinn dat hij de vloek kon opheffen. Zijn toorn en hoogmoed kostten hem zijn geliefde en de rest van zijn leven leefde hij sober en hij geselde zichzelf geregeld voor straf, terwijl hij de woestijnroos vanaf de paleismuren zag wegkwijnen en verdorren. Hij lag nimmer meer bij een andere vrouw.

Moraal van het verhaal: verwacht geen happy end van een schrijver die in de anale fase is blijven hangen.

© Lammert Voos



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het zwijgen

het raam is vuil, buiten staat de wereld stil en raakt mij niet   als jij weg zou gaan wie zou ik dan nog zijn?   het raam i...