donderdag 26 maart 2020

Teleurgang

In het noordwesten stond de fabriek. De windhond, verwekt in een wolkenhol boven het Schotse hooggebergte, kwam bijna altijd juist van die kant over de grijze zee aangedraafd. Haar natte vacht legde een deken van stank over de stad die je tot op je botten verkleumde en tuberculoos deed rochelen en hoesten, astmatisch piepen en riep oeroude dromen op van armoedig voorgeslacht dat wegkwijnde in de beschimmelde kleine kelders van dit vervloekte oord, deze negentiende eeuwse arbeidershel.

Schimmen van vergaande baby’s, hologig verhongerd aan de lege tiet van talloze wanhopige moeders, uitgedroogd in hun karigheid, iedere gedachte gewijd aan overleven in de duisternis. Zijn ouders waren zulke mensen en ze hingen aan hun slachtofferschap als aan een reddingsboei, hun rancune richtend op elkaar, hun nageslacht en de rest van hun familie. Ze waren niet ver van de stad geboren, net als hijzelf en hij was er naar school gegaan, zoals alle kinderen uit de omliggende dorpen. De stad was het centrum van de wereld, hun wereld, en bijna alle spoorlijnen reden naar nog afgelegener gebieden, waar ze eindigden, er was slechts één die naar het zuiden ging, zoals er slechts één snelweg was, eveneens naar het zuiden, daar waar licht was, maar pas na honderd kilometer.

De adolescent -een term die hij gebruikte om zijn ouders te irriteren – was met een boemeltreintje uit een provincieplaatsje in het westen gekomen. De oude dame die tegenover hem zat had hem nieuwsgierig opgenomen. ‘Mag ik u wat vragen?’ Had ze tenslotte gezegd. Hij knikte bevestigend. ‘Zie ik het goed dat u gekleurd haar hebt? Ik ben bang dat ik zit te hallucineren.’ Hij had het vriendelijk bevestigd. ‘Wat leuk. In onze tijd kon zoiets niet, als ik nu jong was, zou ik mijn haar ook kleuren.’ Na die woorden had ze naar buiten zitten staren, hoewel er in de dikke mist niets te zien was. Haar houding had hem verward, hij was gewend aan weerzin of wantrouwen, soms openlijke agressie. Zijn hele uiterlijk riep weerzin op. De leren jas met no fun erop gekalkt. De rode ruitjesbroek met veiligheidsspelden, zijn kistjes en bovenal zijn voetbalshirt die tevens de vlag van de provincie was waarin hij woonde.

Hij had haar helpen uitstappen, waarna ze in zichzelf mompelend, luidop kreten slakend naar een ander perron gewaggeld was. Hij liep het station uit, daar stonden de bussen zij aan zij, donkerrode mastodonten, hun brommende koppen in de rijrichting gekeerd, wachtend op hun berijders die koffie dronken, de krant lazen, sigaretten rokend in een betonnen hok met ramen zaten te wachten tot de tijd toestemming gaf. Hun passagiers huiverden in de nevel, tot eindelijk de vouwdeuren sissend openden, Sesam, een bank, een kachel, schommelende beweging, vooruit, met brullende motor het laagland in.

De adolescent liep langs de gracht, wist aan de overkant protserige herenhuizen, kwam bij een brug, liet zijn vingers langs een betonnen ornament gaan, stak over, de binnenstad in. De teerling was geworpen, het kon beginnen, zijn maag een en al beroering, zijn hoofd tollend van alle scenario’s, verwachtingen en eventuele teleurstelling. En wat dan te doen? Nog meer draaiboeken. Waar was een begin, waar een draad om vast te pakken, een lijn te volgen, waar hing de reddingsboot, waren de nooduitgangen wel verlicht en zou hij niet vertrapt worden door de panikerende menigte? Hij liet een harde boer, maar zelfs daar brak de lucht niet van open. Ranzige bieten en opborrelend maagsap. Een mooi begin.

 © Lammert Voos

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het zwijgen

het raam is vuil, buiten staat de wereld stil en raakt mij niet   als jij weg zou gaan wie zou ik dan nog zijn?   het raam i...