donderdag 26 maart 2020

Anicca, een soort liefdesgeschiedenis.

De eerste keer dat ik haar zag kwam ze met een rieten hoedje vrolijk de trap opgehuppeld van het studentenhuis waar ik na mijn echtscheiding bivakkeerde. Ze zocht een kamer. Het testosteron spatte me bijna de oren uit en ik was niet bijster geïnteresseerd in elfenmeisjes zoals zij. Ze betrok een kamer op de verdieping boven de mijne en leefde onzichtbaar voor mij in een ander ritme. Het studentenhuis stond naast een daklozenopvang, de binnenplaats tussen de huizen was hun tuin en ’s avonds dreven schelle wanhoopskreten en wolken nicotine onze kamers binnen.

 Hoewel mijn voorland slechts één deur verder lag, verhuisde ik naar een zolderappartement in een andere nauwe straat in de binnenstad. Middels een wankele trap kon ik vlak onder het dak komen. Daar zette ik mijn bed en een emmer om in te pissen neer en door een klein raam keek uit over steenrode daken en talrijke schoorstenen van de stad. Als ik rechtop stond kon ik de rivier zien. Rechtop betekende met het hoofd scheef staan, omdat de zolder slechts een meter zeventig hoog was.

Er werd veel gerenoveerd in de binnenstad en uit talrijke sloopcontainers viste ik kastdeurtjes, panelen en een aantal oude eikenhouten balken, die gezien de rookaanslag erop ergens in een rookkanaal hadden gezeten. Ik toverde mijn woonkamer om in atelier en sloeg als een wildeman aan het schilderen. Ik wist zeker dat God en duivel één en dezelfde waren en dat niet de mens geschapen was naar het beeld van God, maar dat het juist andersom was. Mijn zelfhaat was een harde en heldere diamant en een manisch trefzeker penseel tegelijk. Ik schilderde uitgeteerde gezichten, kruisigingtaferelen, verval en dood en bleef dat een half jaar doen, om daarna minstens driekwart van de schilderijen aan spaanders te slaan. Dat bracht geen verlossing dus kocht ik een aantal beitels en gutsen en begon op de eikenhouten balken in te slaan. Dat deed pijn. Het hout werkte ernstig tegen en had ik een schilderij meestal in een uur klaar, een beeld deed ik minstens een maand over. Ik begon nooit met een vooropgezet plan, maar in het hout verschenen eveneens gezichten met uitdrukkingen in allerlei stadia van pijn, woede en nu ook trots.

Op een dag had ik geen hout en energie meer. Mijn vader had gelijk: ik had niet genoeg doorzettingsvermogen om een kunstenaar te zijn. Ik had wel genoeg doorzettingsvermogen om veel te drinken. Rond die tijd kwam ik A. in de supermarkt tegen. Ze droeg geen rieten hoedjes meer en als ze nog een elfenmeisje was, dan wel een getekend elfenmeisje. Ze bleek in dezelfde straat als ik te wonen, aan het einde, in een woongemeenschap van lesbiennes. We raakten aan de praat en tijdens dat gesprek bestudeerde ik haar gezicht. Ze had diepe groeven in haar voorhoofd gekregen, rond haar volle mond liepen diepe lijnen en haar ogen waren flets blauwgroen. Later zag ik dat als ze ergens enthousiast over was dat ze staalblauw werden. Ze had kort donkerbruin krulhaar. Ze was fijngebouwd zonder frêle te zijn. Helaas werd haar schoonheid tekort gedaan door de geur van nicotine, ze had altijd een sigaret tussen haar bruine vingers.

 Ze kwam bij me thuis koffiedrinken en bewonderde een van de schilderijen die ik bewaard had. Ze wilde het wel kopen, zei ze, maar toen ik de prijs noemde schrok ze zichtbaar. ‘Misschien moet je een deel dan maar in natura betalen,’ zei ik impulsiever dan me lief was. Ze lachte schril en keek me schalks aan. ‘O, misschien doe ik dat wel, ik zal er eens over nadenken,’ antwoordde ze. Vanaf dat moment hing er een spanning tussen ons die me hevig verwarde. Ik had haar toch nooit leuk gevonden? Was ze dan niet lesbisch? Ik was toch een dikke man zonder veel talent en perspectief, niet knap, niet aardig. Bovendien was ik tien jaar ouder dan haar en daar zou ik wel een stevige mening over hebben gehad, had het iemand anders betroffen. Ze vertelde dat ze in God geloofde, opgegroeid was in een Christelijk en kil gezin op de Veluwe, maar geboren was in Ierland. Ze zocht naar haar moeder, wilde weten wie ze was en waarom het haar niet lukte om met een man gelukkig te zijn. Het lukte haar trouwens ook niet om met een vrouw gelukkig te zijn, mede omdat haar pleegouders daar fel op tegen waren.

 Ik had medelijden met haar. Ze had het nog slechter getroffen dan ik. Ik wist tenminste nog wie ik was en op wie ik leek, al was ik daar niet blij mee. Ik schaamde me voor het cultiveren van mijn eigen slachtofferschap en om die redenen bood ik haar het schilderij aan. ‘Zonder betaling?’ ‘Zonder betaling.’ ‘Ook niet in natura?’ ‘Ook niet in natura.’ Ze betaalde toch.

Het werd een angstig gebeuren. Ondanks mijn grote mond was ik maar een onzeker mannetje en dat A. mijn tekenen van affectie (laten we het netjes houden) lijdzaam onderging, maakte het niet gemakkelijker. Ik kwam dan ook niet klaar, maar ik kwam nooit klaar als ik voor het eerst met iemand naar bed ging. Ik vroeg me af of ze dat als beledigend ervoer en luisterde naar haar regelmatige ademhaling. Het leek of ze sliep. Ik bekeek haar profiel, de rechte neus, daarna de dwarsbalken in de nok van het dak en de lichtjes die opgloeiden uit de dakramen van de stad. Als ik die zag vroeg ik me altijd af of die dwarsbalken sterk genoeg zouden zijn.

De volgende ochtend deelde ze me somber mee dat dit een eenmalige exercitie was geweest, dat een meisje soms zo haar behoeftes had, maar dat ze geen behoefte had aan zoiets als een relatie. Ik vroeg me af wat ‘zoiets als een relatie’ was. Ze vertrok en weken hoorde ik niets van haar. Ziek van verlangen liep ik steeds langs haar huis. Dat die op de weg naar de supermarkt lag was een mooi excuus. Als ik dacht dat niemand het merkte loerde ik door de ramen.

Binnen was het een onbeschrijfelijke chaos, maar A. zag ik nooit. Dagelijks belde ik haar nummer meerdere malen, maar ze nam nooit op. Tot mijn stomme verbazing stond ze op een dag zomaar, onaangekondigd voor mijn deur. Ze zong een raar liedje –tietietietietie-, zei verder niets, duwde me ruggelings op de sofa en maakte mijn broekriem los. De studente die tegenover me woonde en recht in mijn woonkamer keek vanuit de hare, groette me daarna niet meer en liep me met afgewend hoofd voorbij. Ik schaamde me en voelde me triomfantelijk tegelijkertijd.

Na deze smeuïge sofasessie was A. wederom dagen achtereen verdwenen. Ik gluurde door haar ramen en belde, maar ze was spoorloos verdwenen tot ze zelf belde. Of ik zin had een dagje met haar naar het strand te gaan? Die nacht kon ik niet slapen vanwege mijn broeierige fantasieën en de zenuwen. De vrouw die me ’s ochtends op kwam halen was me vreemd. Ze keek duister en was afstandelijk en afwerend. Haar leven was één grote vergissing, vertelde ze, en ik vroeg me af of ze mij daar specifiek mee bedoelde. Maar ik vroeg het haar niet. Ze had een zwarte hond bij zich, die was van haar ex-vriend, vertelde. Ze had het nooit eerder over een ex-vriend gehad. Ze wilde verder niet over hem praten. Ze vertelde dat ze een date had gehad met een man die cursussen in oosterse vechtsporten gaf. Ik kende die man van gezicht. Hij had een paardenstaart. Ik mocht hem toch al nooit.

We wandelden op het strand en A. kreeg een bekeuring omdat de hond los liep. We zochten een strand op waar de hond wel los mocht lopen en ze vroeg of ik er last van zou hebben als ze topless zou gaan. ‘Waarom?’ wilde ik schreeuwen, ‘ik heb met mijn hoofd tussen je dijen gelegen. Waarom zou ik last hebben van je tieten? Waarom?’ Maar ik mompelde slechts dat ze moest doen wat ze niet kon laten. Die avond, nadat we samen een pizza hadden gegeten, verdween ze weer. Ik was weer ziek van liefdesverdriet. Wéér, wéér, wéér.

Ik wilde dit niet meer. Ik wilde haar niet meer zien. Ik kon er niet meer tegen. Ik werd van haar nog gekker dan ik al was. De dagen daarop meed ik het einde van de straat, ik ging naar een supermarkt verder weg. Trok de stekker uit de telefoon, deed de deur niet meer open als er werd aangebeld.

Die zomer zag ik haar nog één keer. Ik had samen met mijn beste vriend Daniël bij hem thuis twee dikke joints gerookt voor we naar het terras gingen. We luisterden naar The Gun Club en bespraken hoe mooi mannelijk er in kampvuren gespogen werd in de boeken van Cormac McCarthy. Hoewel Daniël hoofdredacteur bij een businessblad was rookte hij vaker joints, vaker dan ik. In het verleden had ik wel meer geblowd, maar ik vond dat ik passief en somber van wiet werd. Ik was dan ook volledig de controle kwijt en liep als een zombie achter Daniël aan naar het terras waar we stevig aan het bier gingen.

Juist toen ik één voor één de steentjes van het Art Noveaugebouw aan de overkant van de straat zat te bewonderen kwam A. langs huppelen. Ze begon enthousiast tegen me te babbelen en vroeg of ze er bij mocht komen zitten. Later hoorde ik van Daniël dat het wederzijdse antipathie op het eerste gezicht was, maar op dat moment ontging me dat, net zoals het me ontging dat de toon van hun discussie steeds feller werd. Machteloos zat ik naar het puntje van de neus van A. te kijken, naar haar scherpe profiel en ik probeerde de roes af te schudden. Ik wilde best wel weer eens met haar naar bed besloot ik toen mijn blik naar beneden, naar haar kleine stevige borsten waren afgedaald. ‘Dat durf je toch niet!’ hoorde ik haar provocerend tegen Daniël zeggen. Daniël durfde het wel, dat had ik haar vooraf kunnen vertellen, want er zat net zomin een rem op hem als op mij als we gedronken hadden. Misschien waren we juist daarom wel vrienden. Daniël mikte de inhoud van zijn glas bier recht in haar gezicht en vloekend rende ze weg. Wij werden vriendelijk verzocht het terras te verlaten.

Het duurde een aantal jaren voor ik A. weer zag, ze woonde inmiddels niet meer in de stad en ze was nog steeds het uiterlijk vrolijke meisje voor wie de wereld aan de voeten lag. ‘Wat hebben we vroeger gelachen, hè?’ vroeg ze me. Laf knikte ik bevestigend, terwijl ik dat toch anders beleefd had. Daarna zag ik haar nooit terug en bij die ene zoektocht op internet een tiental jaren daarna kon ik haar niet vinden. Ik vraag me af of ze nog leeft.

© Lammert Voos

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het zwijgen

het raam is vuil, buiten staat de wereld stil en raakt mij niet   als jij weg zou gaan wie zou ik dan nog zijn?   het raam i...