maandag 24 februari 2020

Leeuwenhart

De man slenterde tussen de kooien, gadegeslagen door een ongeschminkte clown. Hij ging met zijn handen langs de touwen van de tent, gleed langs de ruwe hennep, proefde het met zijn eeltige huid. Hij zag de vale man, onherkenbaar als clown, vanuit zijn ooghoeken. Zijn spiedende blik, de neergebogen mondhoekjes, het wantrouwen van de zelf onwaarachtige mens. De man proefde evenzeer de achterdochtige atmosfeer. De hitsige geuren van dierenlijven, de warmte van hun stront, basale kleuren overheersten, die vielen het snelst in het oog van de kinderen. Circus! Vrolijkheid, vertier, maar nu niet, want het was winter en de artiesten en dieren verlangden naar rust. Alles een eigen rangorde: de paarden werden onrustig van de kamelen, de zebra’s van de grote katten en de mensen van elkaar. Acrobaten stonden in hoger aanzien dan clowns, zeker als ze ongeschminkt waren en iedereen was beducht voor de dompteur, moed is immers een volle neef van krankzinnigheid. De clown zag de man in de richting van de leeuwenkooi lopen, hij had een licht slepend been dat het andere leek te imiteren, zijn eigen voet in te halen, een spoor in stof en zaagsel op de grond achterlatend. De clown verloor zijn interesse, zoals clowns al snel neigen te doen als ze zelf niet in het centrum van de aandacht staan. Hier wandelde de licht manke man het blikveld van de dompteur binnen. Die zag eruit zoals dompteurs er altijd uitzien. Zijn zwarte haar was strak achterover gekamd met vet, hij had een gepommadeerde krulsnor, was glad geschoren, had witte tanden en fonkelende ogen, droeg een smetteloos kaki overhemd, pofbroek en glanzende laarzen. In zijn riem stak een pistool, een Engels legerpistool zo te zien, een Webley. Uiteraard had hij in zijn linkerhand zijn onafscheidelijke zweep. De dompteur bekeek de man zorgvuldiger dan de clown had gedaan. De manke man droeg een grove manchester broek, een dito werkmansjasje, schoenen met stalen neuzen, een grijze pet en een geblokt rood shirt. De man was niet groot, maar wel hoekig, zijn lichaam sprak van arbeid, zijn neus van spiritualiën, zijn gegroefd gelaat en ogen van een zwaar leven en zijn grijze haar en baard van onverschilligheid. De man stond vlak voor de kooi waar de leeuw in de hoek lag te slapen. Loom tilde het beest een ooglid op, een kattenoog van amber onthullend. Het dier schudde zijn kop en stof waaide op uit zijn dikke manen, een diep duister gebrom ontsnapte aan zijn keel, waarbij zijn lichaam een wijle vibreerde. De man ging dichterbij staan, proefde de koele tralies met zijn handen, sloot zijn ogen. Die vent is gek, dacht de dompteur, en hij riep hem toe. ‘Hee, kijk uit, dat is gevaarlijk!’ De leeuw was bliksemsnel opgesprongen, stond binnen een honderdste van een seconde oog in oog met de man, die niet leek te schrikken, niet eens terugdeinsde, niet verblikte of verbleekte en de leeuw strak aanstaarde. De leeuw zijn aanval stokte, hij sloeg zijn klauwen niet door de tralies, verzwolg de man niet, het had zo gemakkelijk voor het dier kunnen zijn. ‘De dood komt altijd onverwacht,’ zei de dompteur tegen de man, ging naast hem staan en rook de zure lucht van diens ongewassen lichaam. ‘Alsof ik dat niet weet, alsof ik dat niet allang weet…’ antwoordde de man. ‘Hoe heet de leeuw?’ ‘Simba.’ ‘Tot gauw Simba,’ sprak de man, draaide zich om en sleepte zijn been mee naar de uitgang. De man had een kamer in een pension voor varensgezellen aan de haven. Het pension was goedkoop en des ochtends mochten de bewoners zich aan koffie en roggebrood met hesp of stroop helpen in de keuken. Er hing een gele strip met vliegenkadavers aan de lamp boven de eettafel waar een rood verschoten kleedje lag dat u gaarne deed laten denken dat het uit Perzië was gekomen. Boven het fornuis hing nog zo’n strip en er kleefden eveneens vliegen aan het vet dat in een dikke laag over het metaal lag. Des avonds kookte de pensionhoudster daar een maal voor de gasten. Ooit was zij wellicht een prinsesje geweest, maar de tijd was meedogenloos voor haar verstreken. Vaag schemerde haar schoonheid nog door haar fletse waterige ogen die een drinker deden vermoeden. Die ogen waren eens blauw geweest en door heur grijze haar schoten nog strengen van het diepste zwart. Getuige de zwarte haar op haar kin was dit haar oorspronkelijke kleur geweest. Ze was dik geworden, onze Coralie. Toen zij nog in een andersoortige dienstverlening voor varensgezellen had gezeten, was zij het mooiste meiske van de baan geweest. Helaas had dat haar niet behoed voor de klappen van haar pooier, noch van die van Vadertje Tijd. De keuken stond meesttijds blauw van de sigarettenrook. Werkende mannen roken, het liefst ieder kwartier, om de pijnlijke spieren en vermoeidheid een wijle te vergeten. De atmosfeer in de keuken was bedompt, ook door de geur die opsteeg uit de vochtige kastjes, van het gelige fornuis, oud vet en het feit dat het gemak in de hal naar de keuken was en geen raam had hielp ook niet echt. Bovendien werd de ton uit zuinigheidsoverweging niet vaak genoeg geleegd en dat verklaarde waarom er ook des winters veel vliegen in de keuken waren. De man zijn kot was sober, om niet te zeggen armoedig. Op de vloer lagen verschoten kokosmatten, er waren geen gordijnen, de wind blies vanaf het water door de kieren in de kozijnen, het glas was dun en rammelde in de sponningen, het behang was lichtgroen met donkergroene lelies daarop. Op het plafond zaten donkere kringen van vocht en schimmel. Getuige de gelige aanslag in de wasbak was de man niet de eerste die er in urineerde, hij dacht ook niet dat hij de laatste zou zijn. Boven de wasbak zaten nog de schroeven op de plaats waar ooit een spiegel had gehangen, de rechthoek daartussen was donkerder van kleur dan de rest van het behang. Mannen met een geschiedenis houden niet van spiegels, dacht hij. Hij dorste niet op zijn bed te gaan liggen, de nacht was een vijand, iedere ochtend een wedergeboorte met een zuiverende doop van licht. Hij dacht dat er wantsen, vlooien en luizen in de dunne matras zaten, maar dat deerde de man niet. Dat het bed doorgezakt was ook niet en de dunne ruwe paardendeken was hem genoeg, hij had immers zelfs kunnen slapen op het kille beton van een bunker, nee het was veeleer het duister zelf en zijn dromen die hem angst aanjoegen. Hij keek uit het raam naar de schemering die aan kwam drijven tussen de schepen, over de dekken, de tuigage, tussen stuurhutten, over het water: de duistere belofte van de onderwereld waar hij ieder nacht opnieuw in ondergedompeld werd. De schemering stak haar gulzige vingers uit naar zijn hart en de man verlangde naar roes en vergetelheid, naar dronkenschap en een leeg hoofd, maar hij bezat niets dan de kleren aan zijn lijf. Hij dacht aan de leeuw die als hij hem zou doden dat zonder oordeel zou doen, zonder gedachte, zonder haat, gewoon omdat hij gemaakt was om te doden, omdat het de natuur was. De dood met amberkleurige ogen. Tot zijn stomme verbazing zag des daags daarop de dompteur de man met het slepende been weer voor de leeuwenkooi staan. Hij stond bijkans met zijn neus tussen de tralies, maar Simba zat rustig op een aantal decimeter tegenover de man en keek hem recht aan. Het beest zwaaide niet eens met zijn staart. ‘Ongelofelijk…’ mompelde de dompteur. Hij naderde man en beest omzichtig, bang dat hij door zijn onrust alsnog een aanval provoceerde. Hij bleef een meter achter de man met het slepende been staan. ‘Waarom valt hij niet aan?’ vroeg de manke man, die de dompteur best had horen naderen. ‘Leeuwen grijpen de angstige of zwakke dieren uit de natuur, het zijn in die zin opruimers. Ik denk dat hij bij jou geen angst voelt, geen zwakheid,’ zei de dompteur. ‘Ik denk dat het dier dat voor een deel bij het rechte eind heeft,’ prevelde de man. De dompteur dacht een wijle na. ‘Kun je met een revolver of geweer omgaan?’ ‘Zeker.’ ‘Wil je mijn oppasser worden en de grote katten verzorgen? Je schijnt een natuurlijk gezag over ze te hebben.’ De man keek hem aan, zijn ogen fonkelden als kobaltblauwe edelstenen, tenslotte knikte hij. ‘Volg mij,’ zei de dompteur, ‘dan stel ik je voor aan de andere katten. Morgen kun je echt beginnen. Over geld zullen we het later hebben.’ Toen ze tussen de kooien doorwandelden vroeg de dompteur waar de man had leren schieten en die antwoordde dat hij vroeger stroper was geweest. De dompteur proefde de leugen, maar besloot het te laten zitten. Nooit eerder was hij iemand tegengekomen zo vrij van angst, een man die zonder schroom op gelijke voet in de ogen van een leeuw kon kijken. De dompteur was zelf nooit helemaal vrij van angst als hij de kooi instapte, dat maakte hem voorzichtig, scherpte zijn zintuigen, begrensde de roekeloosheid die hij reeds als kind bezat. Deze man hoefde de kooi niet in en dat was maar goed ook. ‘Heb je een naam?’ vroeg hij de man. ‘Vroeger wel.’ De man zweeg, kennelijk niet van zins om meer met de dompteur te delen. ‘Goed, dan noem ik je vanaf nu Leeuwenhart.’ Het ontging de dompteur dat de man een snelle blik op hem wierp en toen weer naar binnen keerde. Nadat de nacht hem opnieuw met haar kille vingers had trachten te smoren ging de man aan het werk. Hij voerde de leeuw, de twee tijgers, een zwarte panter en maakte kennis met een mottige beer, een beklagenswaardig dier aan een ketting. In één kooi zaten twee wolven die angstig voor hem terugdeinsden, ondanks de achterhand van een kalf die hij in de kooi wierp. De man ververste stro en schepte stront en voor het eerst sinds lang voelde hij zijn spieren. Zijn lichaam brandde plezierig toen hij des avonds de keuken van Coralie betrad. Er zaten nu een aantal knisperende biljetten in zijn zak. Aan de tafel zat een halfdronken oude zeeman en in de hoek lag het roze poedeltje van Coralie. ‘Godmiljaar, wat brengt gij een stank mee!’ riep de oude man. Het poedeltje sprong op, begon te trillen als een espenblad en liet spontaan haar urine lopen. ‘Is dien hond soms gister ook op café geweest?’ mopperde de oude man. Het hondje schoot onder het fornuis en geen macht ter wereld kon haar bewegen daar vandaan te komen zolang Leeuwenhart in de keuken was. Coralie monsterde de man met het slepende been, niet eens echt onvriendelijk, en trok aan de sigaret die ze in een elegant pijpje in haar mondhoek had. ‘Gij zou u beter eerst wassen,’ zei ze tegen de man. ‘Wie, ik?’ lispelde de oude zeeman. ‘Nou, vooruit dan maar weer,’ zei ze glimlachend. Nu. Iedere ochtend sleepte Leeuwenhart zijn been over de glimmend vochtige kasseien langs de haven naar de plaats waar het circus zijn winterkamp had opgeslagen. Mochten de nachten nog vol angstige dromen zijn, hij kon ze zich des ochtends niet herinneren. Maar hij wist dat ze er waren, de dromen waren de spiegels van herinneringen die hij diep weg probeerde te drukken, maar telkens naar buiten glipten, als een fietsband waarvan het binnenste rubber steeds naar buiten gulpte, dreigend te ploffen. Leeuwenhart had een vast ritueel: hij begon de dag met vijf minuten voor Simba te staan en kroelde hem over zijn kop, liet zijn hand door de stugge manen glijden. De leeuw kreunde van genot. De circusmensen aanschouwden het vol stille verbijstering. Er waren erbij die respect voor de nieuwe oppasser hadden, maar er waren er meer die angst voelden voor deze vreemde man die ieder ochtend begon met het nemen van een krankzinnig risico. De dochter van de clown vond de nieuwe oppasser mirakels interessant. De man was dan wel niet de jongste meer en niet bijster knap, maar de man ademde geschiedenis en sommige jonge meisjes hebben een nogal romantische kijk op geschiedenis en hunkeren ernaar om die te drinken. Geschiedenis is echter geen mild kabbelend beekje, zoals je in boeken wordt voorgespiegeld. Als je deel uitmaakt van de geschiedenis wordt je meegesleurd in een woeste maalstroom en er is geen houvast en zijn er geen reddingsboeien. Omdat zij al die dingen nog niet wist en een vriendelijke ziel was, besloot zij de oppasser een kop koffie te brengen. Met een lichte aarzeling liep zij op de man af die op een strobaal zijn boterhammen zat te eten. Ze reikte de man de dampende kop zwijgend, maar met een glimlach aan. Hij keek op en toen veranderde er iets. Hoe kon het onnozele wicht ook weten dat Leeuwenhart niets of niemand toe wilde laten, dat hij de kilte die in zijn binnenste als permafrost zat, nodig had om te overleven. Hoe kon het onnozele wicht ook weten dat er vroeger ook iemand op deze manier tegen hem geglimlacht had. Ik ben zelf ook een onnozelaar, een hopeloze romanticus, en kan het niet anders omschrijven dan dat haar glimlach als een zonnestraal was die diep doordrong in de permafrost en die terstond deed ontdooien. Nadat hij de kop koffie opgedronken had en het meisje weggegaan was bleef Leeuwenhart in verwarring achter en moest hij terstond plassen. Dat heb je met ontdooien nou eenmaal. De dag daarop liep hij voor aanvang van zijn werk naar de leeuwenkooi, maar hij aarzelde en wist zelf niet precies waarom. De leeuw zat reeds op hem te wachten en hij stak zijn arm tussen de tralies door. Leeuwenhart kwam bij in het ziekenhuis. Zijn rechterarm was aan de elleboog zwaar ingezwachteld, daaronder was niets meer. Hij kreunde en toen pas merkte hij de dikke vrouw op die zich in een stoel aan zijn voeteneind neergevleid had. Misschien is draperen in dit geval een beter woord. Er was zo verschrikkelijk veel van haar en haar boezem stulpte uit haar jurk, waarvan de naden onder grote spanning stonden om al het lillende vet dat de vrouw omsloot binnenboord te houden. Onze Coralie zuchtte diep en met warme stem sprak ze: ‘Gij ook, gij hebt nergens angst voor...’ Maar dat was niet waar, niet meer, zijn angst was ontwaakt en voor haar, onze Coralie, voor haar voelde hij nog het meeste vrees. © Lammert Voos

1 opmerking:

  1. ...pracht verhaal,....pure spanning en gevoelens...beeldend! Het pakt mij de rauwe werkelijkheid Lammert. Dank je!

    BeantwoordenVerwijderen

Het zwijgen

het raam is vuil, buiten staat de wereld stil en raakt mij niet   als jij weg zou gaan wie zou ik dan nog zijn?   het raam i...