donderdag 2 april 2020

Übermenschen




Übermenschen

Ik probeer mezelf maar wat bezig te houden om de somberheid die altijd bij mij op de loer ligt buiten de deur te houden. De afgelopen dagen ben ik bezig geweest om een schoorsteen te isoleren, vandaag op de fiets boodschappen gedaan en morgen staat een grote schoonmaakactie wat betreft de badkamer op het programma. In de supermarkt was wederom geen pleepapier en je vraagt je toch af hoe vaak een mens zijn reet met anderen kan afvegen. Ook was een jongeman erg ongeduldig en wel zodanig dat hij zich langs mij heen probeerde te wurmen bij de kassa. Dat zal zijn ego niet licht vergeten, want deze oude man ging niet aan de kant en is verbaal ook nogal, laten we mild blijven, begaafd.

Ik denk veel aan mijn moeder die in grote eenzaamheid haar laatste dagen slijt in het verpleeghuis. Geen bezoek, te dement om te bellen of skypen, geen BN’er die een liedje voor haar komt zingen. Geen ‘you never walk alone’, want ze mag er niet uit en het personeel is zwaar overbelast.

Ik vond het verhaal van een Groningse arts die zo nodig moest melden dat de meeste patiënten in het UMCG last van overgewicht hadden niet handig. Daar gaan we weer, dacht ik, ik moet weer in de verdediging. Nou, ik heb er dit keer weinig energie in gestoken. Iemand die ik op zich hoog acht moest op FaceBook melden dat hij vaak mensen zag in winkels met allerlei ongezonde dingen, waarmee hij eigen schuld, dikke bult impliceerde.

Ik dacht nog niet iedereen heeft evenveel verstand en kijk naar de druk van de reclame op mensen en junkfood is ontegenzeggelijk goedkoper dan gezond vreten, maar ik zei het niet. Ik vroeg me nog wel af hoe het zou zijn om je zo superieur te voelen en een Übermensch te zijn.

 

De scheiding tussen arm en rijk wordt sowieso steeds zichtbaarder. Tussen noord en zuid in Europa, tussen Europa en Zuid-Amerika, Afrika en bijvoorbeeld India. Ik hou mijn hart vast, ik wil er niet aan denken wat er gebeurt als het virus toeslaat in de sloppenwijken.

 

Er schijnen trouwens mensen te zijn die alweer bezig zijn met een vakantie naar Italië of Spanje als deze pandemie afgelopen zal zijn. Ik vraag me dan af hoe je dat voor je ziet: op een strand liggen in een open kerkhof in landen waar geen oude en zwakke mensen meer zijn. Dat lijkt trouwens ergens op, maar over Godwin zul je mij vandaag niet horen.

 

© Lammert Voos



donderdag 26 maart 2020

Symfonie des Grauens


Toen ik hem voor het eerst zag in het winkelcentrum werd ik getroffen door zijn felblauwe ogen. Hij had brede schouders en zijn lange volle donkerblonde haar was strak achterovergekamd. Onder zijn dikke snor speelde een flauw lachje.

Op een dag voerde ik in het park de hertjes, konijnen en geiten  met oud brood. Ik zag vanuit mijn ooghoek dat de man ongecontroleerde bewegingen maakte.  Hij dirigeerde onhoorbare muziek van een onzichtbaar orkest. Onder het bankje stond een kratje pils. Hij onderbrak nu en dan de schimmensonate om een flesje bier leeg te drinken.

Op de terugweg naar huis liep ik hem voorbij. Hij zat nu bewegingsloos voor zich uit te staren. Ik hoorde hem zachtjes neuriën.

© Lammert Voos

Teleurgang

In het noordwesten stond de fabriek. De windhond, verwekt in een wolkenhol boven het Schotse hooggebergte, kwam bijna altijd juist van die kant over de grijze zee aangedraafd. Haar natte vacht legde een deken van stank over de stad die je tot op je botten verkleumde en tuberculoos deed rochelen en hoesten, astmatisch piepen en riep oeroude dromen op van armoedig voorgeslacht dat wegkwijnde in de beschimmelde kleine kelders van dit vervloekte oord, deze negentiende eeuwse arbeidershel.

Schimmen van vergaande baby’s, hologig verhongerd aan de lege tiet van talloze wanhopige moeders, uitgedroogd in hun karigheid, iedere gedachte gewijd aan overleven in de duisternis. Zijn ouders waren zulke mensen en ze hingen aan hun slachtofferschap als aan een reddingsboei, hun rancune richtend op elkaar, hun nageslacht en de rest van hun familie. Ze waren niet ver van de stad geboren, net als hijzelf en hij was er naar school gegaan, zoals alle kinderen uit de omliggende dorpen. De stad was het centrum van de wereld, hun wereld, en bijna alle spoorlijnen reden naar nog afgelegener gebieden, waar ze eindigden, er was slechts één die naar het zuiden ging, zoals er slechts één snelweg was, eveneens naar het zuiden, daar waar licht was, maar pas na honderd kilometer.

De adolescent -een term die hij gebruikte om zijn ouders te irriteren – was met een boemeltreintje uit een provincieplaatsje in het westen gekomen. De oude dame die tegenover hem zat had hem nieuwsgierig opgenomen. ‘Mag ik u wat vragen?’ Had ze tenslotte gezegd. Hij knikte bevestigend. ‘Zie ik het goed dat u gekleurd haar hebt? Ik ben bang dat ik zit te hallucineren.’ Hij had het vriendelijk bevestigd. ‘Wat leuk. In onze tijd kon zoiets niet, als ik nu jong was, zou ik mijn haar ook kleuren.’ Na die woorden had ze naar buiten zitten staren, hoewel er in de dikke mist niets te zien was. Haar houding had hem verward, hij was gewend aan weerzin of wantrouwen, soms openlijke agressie. Zijn hele uiterlijk riep weerzin op. De leren jas met no fun erop gekalkt. De rode ruitjesbroek met veiligheidsspelden, zijn kistjes en bovenal zijn voetbalshirt die tevens de vlag van de provincie was waarin hij woonde.

Hij had haar helpen uitstappen, waarna ze in zichzelf mompelend, luidop kreten slakend naar een ander perron gewaggeld was. Hij liep het station uit, daar stonden de bussen zij aan zij, donkerrode mastodonten, hun brommende koppen in de rijrichting gekeerd, wachtend op hun berijders die koffie dronken, de krant lazen, sigaretten rokend in een betonnen hok met ramen zaten te wachten tot de tijd toestemming gaf. Hun passagiers huiverden in de nevel, tot eindelijk de vouwdeuren sissend openden, Sesam, een bank, een kachel, schommelende beweging, vooruit, met brullende motor het laagland in.

De adolescent liep langs de gracht, wist aan de overkant protserige herenhuizen, kwam bij een brug, liet zijn vingers langs een betonnen ornament gaan, stak over, de binnenstad in. De teerling was geworpen, het kon beginnen, zijn maag een en al beroering, zijn hoofd tollend van alle scenario’s, verwachtingen en eventuele teleurstelling. En wat dan te doen? Nog meer draaiboeken. Waar was een begin, waar een draad om vast te pakken, een lijn te volgen, waar hing de reddingsboot, waren de nooduitgangen wel verlicht en zou hij niet vertrapt worden door de panikerende menigte? Hij liet een harde boer, maar zelfs daar brak de lucht niet van open. Ranzige bieten en opborrelend maagsap. Een mooi begin.

 © Lammert Voos

Ochtendrituelen

Huiverend kroop ik uit mijn slaapzak. Het was nog niet helemaal licht toen ik mijn schoenen wilde aantrekken. Luhende, de gids, legde zijn hand op mijn schouder. ‘Eerst uitschudden, er kunnen schorpioenen inzitten.’ Een huivering trok langs mijn ruggengraat.

 Ik wilde mezelf nuttig te maken door dekens en slaapzakken uit te schudden en op te vouwen, maar de mannen lieten het niet toe. Ze duwden me glimlachend uit hun weg. Het enige dat ik kon doen was blikken bonen open draaien.

 Ik zag in het westen de bergen nevelig opdoemen in de dageraad. Joseph, de chauffeur, zat naast me genietend zijn koffie naar binnen te slurpen. ‘Als je slurpt, is de koffie lekkerder,’ beweerde hij. De koffie voelde als schuurpapier aan mijn beschadigde gehemelte. ‘Ik heb hoogtevrees,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Dan heb je misschien een probleem, rafiki yangu, mijn vriend,’ antwoordde Joseph tussen twee slurpen door. Ik stak een sigaret op die niet zonder gevolgen was.

Bonen, koffie en nicotine deden zich gelden, een felle kramp schoot door mijn darmen. De mannen ontlastten zich achter hetzelfde bosje, Luhende stond open en bloot op de savanne te plassen. Joseph zag me kijken. ‘Als je daar gaat zitten, moet je goed uitkijken voor de zwarte mamba,’ grijnsde hij. Luhende hurkte naast hem neer en legde zijn geweer over zijn knieën. ‘Welnee,’ zei hij, ‘die zijn allang gevlucht voor de stank.’ Hun geschater golfde over de vlakte. Met veel moeite hield ik mijn darmen onder controle.

 © Lammert Voos

Anicca, een soort liefdesgeschiedenis.

De eerste keer dat ik haar zag kwam ze met een rieten hoedje vrolijk de trap opgehuppeld van het studentenhuis waar ik na mijn echtscheiding bivakkeerde. Ze zocht een kamer. Het testosteron spatte me bijna de oren uit en ik was niet bijster geïnteresseerd in elfenmeisjes zoals zij. Ze betrok een kamer op de verdieping boven de mijne en leefde onzichtbaar voor mij in een ander ritme. Het studentenhuis stond naast een daklozenopvang, de binnenplaats tussen de huizen was hun tuin en ’s avonds dreven schelle wanhoopskreten en wolken nicotine onze kamers binnen.

 Hoewel mijn voorland slechts één deur verder lag, verhuisde ik naar een zolderappartement in een andere nauwe straat in de binnenstad. Middels een wankele trap kon ik vlak onder het dak komen. Daar zette ik mijn bed en een emmer om in te pissen neer en door een klein raam keek uit over steenrode daken en talrijke schoorstenen van de stad. Als ik rechtop stond kon ik de rivier zien. Rechtop betekende met het hoofd scheef staan, omdat de zolder slechts een meter zeventig hoog was.

Er werd veel gerenoveerd in de binnenstad en uit talrijke sloopcontainers viste ik kastdeurtjes, panelen en een aantal oude eikenhouten balken, die gezien de rookaanslag erop ergens in een rookkanaal hadden gezeten. Ik toverde mijn woonkamer om in atelier en sloeg als een wildeman aan het schilderen. Ik wist zeker dat God en duivel één en dezelfde waren en dat niet de mens geschapen was naar het beeld van God, maar dat het juist andersom was. Mijn zelfhaat was een harde en heldere diamant en een manisch trefzeker penseel tegelijk. Ik schilderde uitgeteerde gezichten, kruisigingtaferelen, verval en dood en bleef dat een half jaar doen, om daarna minstens driekwart van de schilderijen aan spaanders te slaan. Dat bracht geen verlossing dus kocht ik een aantal beitels en gutsen en begon op de eikenhouten balken in te slaan. Dat deed pijn. Het hout werkte ernstig tegen en had ik een schilderij meestal in een uur klaar, een beeld deed ik minstens een maand over. Ik begon nooit met een vooropgezet plan, maar in het hout verschenen eveneens gezichten met uitdrukkingen in allerlei stadia van pijn, woede en nu ook trots.

Op een dag had ik geen hout en energie meer. Mijn vader had gelijk: ik had niet genoeg doorzettingsvermogen om een kunstenaar te zijn. Ik had wel genoeg doorzettingsvermogen om veel te drinken. Rond die tijd kwam ik A. in de supermarkt tegen. Ze droeg geen rieten hoedjes meer en als ze nog een elfenmeisje was, dan wel een getekend elfenmeisje. Ze bleek in dezelfde straat als ik te wonen, aan het einde, in een woongemeenschap van lesbiennes. We raakten aan de praat en tijdens dat gesprek bestudeerde ik haar gezicht. Ze had diepe groeven in haar voorhoofd gekregen, rond haar volle mond liepen diepe lijnen en haar ogen waren flets blauwgroen. Later zag ik dat als ze ergens enthousiast over was dat ze staalblauw werden. Ze had kort donkerbruin krulhaar. Ze was fijngebouwd zonder frêle te zijn. Helaas werd haar schoonheid tekort gedaan door de geur van nicotine, ze had altijd een sigaret tussen haar bruine vingers.

 Ze kwam bij me thuis koffiedrinken en bewonderde een van de schilderijen die ik bewaard had. Ze wilde het wel kopen, zei ze, maar toen ik de prijs noemde schrok ze zichtbaar. ‘Misschien moet je een deel dan maar in natura betalen,’ zei ik impulsiever dan me lief was. Ze lachte schril en keek me schalks aan. ‘O, misschien doe ik dat wel, ik zal er eens over nadenken,’ antwoordde ze. Vanaf dat moment hing er een spanning tussen ons die me hevig verwarde. Ik had haar toch nooit leuk gevonden? Was ze dan niet lesbisch? Ik was toch een dikke man zonder veel talent en perspectief, niet knap, niet aardig. Bovendien was ik tien jaar ouder dan haar en daar zou ik wel een stevige mening over hebben gehad, had het iemand anders betroffen. Ze vertelde dat ze in God geloofde, opgegroeid was in een Christelijk en kil gezin op de Veluwe, maar geboren was in Ierland. Ze zocht naar haar moeder, wilde weten wie ze was en waarom het haar niet lukte om met een man gelukkig te zijn. Het lukte haar trouwens ook niet om met een vrouw gelukkig te zijn, mede omdat haar pleegouders daar fel op tegen waren.

 Ik had medelijden met haar. Ze had het nog slechter getroffen dan ik. Ik wist tenminste nog wie ik was en op wie ik leek, al was ik daar niet blij mee. Ik schaamde me voor het cultiveren van mijn eigen slachtofferschap en om die redenen bood ik haar het schilderij aan. ‘Zonder betaling?’ ‘Zonder betaling.’ ‘Ook niet in natura?’ ‘Ook niet in natura.’ Ze betaalde toch.

Het werd een angstig gebeuren. Ondanks mijn grote mond was ik maar een onzeker mannetje en dat A. mijn tekenen van affectie (laten we het netjes houden) lijdzaam onderging, maakte het niet gemakkelijker. Ik kwam dan ook niet klaar, maar ik kwam nooit klaar als ik voor het eerst met iemand naar bed ging. Ik vroeg me af of ze dat als beledigend ervoer en luisterde naar haar regelmatige ademhaling. Het leek of ze sliep. Ik bekeek haar profiel, de rechte neus, daarna de dwarsbalken in de nok van het dak en de lichtjes die opgloeiden uit de dakramen van de stad. Als ik die zag vroeg ik me altijd af of die dwarsbalken sterk genoeg zouden zijn.

De volgende ochtend deelde ze me somber mee dat dit een eenmalige exercitie was geweest, dat een meisje soms zo haar behoeftes had, maar dat ze geen behoefte had aan zoiets als een relatie. Ik vroeg me af wat ‘zoiets als een relatie’ was. Ze vertrok en weken hoorde ik niets van haar. Ziek van verlangen liep ik steeds langs haar huis. Dat die op de weg naar de supermarkt lag was een mooi excuus. Als ik dacht dat niemand het merkte loerde ik door de ramen.

Binnen was het een onbeschrijfelijke chaos, maar A. zag ik nooit. Dagelijks belde ik haar nummer meerdere malen, maar ze nam nooit op. Tot mijn stomme verbazing stond ze op een dag zomaar, onaangekondigd voor mijn deur. Ze zong een raar liedje –tietietietietie-, zei verder niets, duwde me ruggelings op de sofa en maakte mijn broekriem los. De studente die tegenover me woonde en recht in mijn woonkamer keek vanuit de hare, groette me daarna niet meer en liep me met afgewend hoofd voorbij. Ik schaamde me en voelde me triomfantelijk tegelijkertijd.

Na deze smeuïge sofasessie was A. wederom dagen achtereen verdwenen. Ik gluurde door haar ramen en belde, maar ze was spoorloos verdwenen tot ze zelf belde. Of ik zin had een dagje met haar naar het strand te gaan? Die nacht kon ik niet slapen vanwege mijn broeierige fantasieën en de zenuwen. De vrouw die me ’s ochtends op kwam halen was me vreemd. Ze keek duister en was afstandelijk en afwerend. Haar leven was één grote vergissing, vertelde ze, en ik vroeg me af of ze mij daar specifiek mee bedoelde. Maar ik vroeg het haar niet. Ze had een zwarte hond bij zich, die was van haar ex-vriend, vertelde. Ze had het nooit eerder over een ex-vriend gehad. Ze wilde verder niet over hem praten. Ze vertelde dat ze een date had gehad met een man die cursussen in oosterse vechtsporten gaf. Ik kende die man van gezicht. Hij had een paardenstaart. Ik mocht hem toch al nooit.

We wandelden op het strand en A. kreeg een bekeuring omdat de hond los liep. We zochten een strand op waar de hond wel los mocht lopen en ze vroeg of ik er last van zou hebben als ze topless zou gaan. ‘Waarom?’ wilde ik schreeuwen, ‘ik heb met mijn hoofd tussen je dijen gelegen. Waarom zou ik last hebben van je tieten? Waarom?’ Maar ik mompelde slechts dat ze moest doen wat ze niet kon laten. Die avond, nadat we samen een pizza hadden gegeten, verdween ze weer. Ik was weer ziek van liefdesverdriet. Wéér, wéér, wéér.

Ik wilde dit niet meer. Ik wilde haar niet meer zien. Ik kon er niet meer tegen. Ik werd van haar nog gekker dan ik al was. De dagen daarop meed ik het einde van de straat, ik ging naar een supermarkt verder weg. Trok de stekker uit de telefoon, deed de deur niet meer open als er werd aangebeld.

Die zomer zag ik haar nog één keer. Ik had samen met mijn beste vriend Daniël bij hem thuis twee dikke joints gerookt voor we naar het terras gingen. We luisterden naar The Gun Club en bespraken hoe mooi mannelijk er in kampvuren gespogen werd in de boeken van Cormac McCarthy. Hoewel Daniël hoofdredacteur bij een businessblad was rookte hij vaker joints, vaker dan ik. In het verleden had ik wel meer geblowd, maar ik vond dat ik passief en somber van wiet werd. Ik was dan ook volledig de controle kwijt en liep als een zombie achter Daniël aan naar het terras waar we stevig aan het bier gingen.

Juist toen ik één voor één de steentjes van het Art Noveaugebouw aan de overkant van de straat zat te bewonderen kwam A. langs huppelen. Ze begon enthousiast tegen me te babbelen en vroeg of ze er bij mocht komen zitten. Later hoorde ik van Daniël dat het wederzijdse antipathie op het eerste gezicht was, maar op dat moment ontging me dat, net zoals het me ontging dat de toon van hun discussie steeds feller werd. Machteloos zat ik naar het puntje van de neus van A. te kijken, naar haar scherpe profiel en ik probeerde de roes af te schudden. Ik wilde best wel weer eens met haar naar bed besloot ik toen mijn blik naar beneden, naar haar kleine stevige borsten waren afgedaald. ‘Dat durf je toch niet!’ hoorde ik haar provocerend tegen Daniël zeggen. Daniël durfde het wel, dat had ik haar vooraf kunnen vertellen, want er zat net zomin een rem op hem als op mij als we gedronken hadden. Misschien waren we juist daarom wel vrienden. Daniël mikte de inhoud van zijn glas bier recht in haar gezicht en vloekend rende ze weg. Wij werden vriendelijk verzocht het terras te verlaten.

Het duurde een aantal jaren voor ik A. weer zag, ze woonde inmiddels niet meer in de stad en ze was nog steeds het uiterlijk vrolijke meisje voor wie de wereld aan de voeten lag. ‘Wat hebben we vroeger gelachen, hè?’ vroeg ze me. Laf knikte ik bevestigend, terwijl ik dat toch anders beleefd had. Daarna zag ik haar nooit terug en bij die ene zoektocht op internet een tiental jaren daarna kon ik haar niet vinden. Ik vraag me af of ze nog leeft.

© Lammert Voos

woensdag 25 maart 2020

De artiest

Het begon op het zolderkamertje van zijn beste vriend. Ze hadden een paar tweedehands gitaren gekocht, imiteerden hun helden en hadden daar donders veel plezier in. Wat konden ze ook anders, werk was er niet en de nucleaire Holocaust hing hen boven het hoofd. Ze waren een nutteloze generatie en dat werd hen stevig ingepeperd door hun ouders en toen ze aan die ontsnapt waren, door de kranten en televisie. Een andere vriend kwam meedoen, sloeg voor de grap op dozen bij wijze van drums en iemand anders die hun groepje 'oorspronkelijk' noemde regelde een optreden in het plaatselijke jongerencentrum als voorprogramma van een beroemde garagerock band.

Vier jaar, honderden optredens en drie langspeelplaten later waren ze geen vrienden meer. Hijzelf, de zanger, zag het allang aankomen. Naarmate ze beter leerden spelen werden ze minder bijzonder, slechts een van de vele groepjes die dacht dat de wereld op ze zat te wachten. Een decennium later zou iedereen hen hopeloos gedateerd en gekunsteld vinden, verwachtte hij. Dus kondigde hij zijn vertrek als zanger aan, waarna de anderen ontmoedigd besloten dan ook maar te stoppen. Er zou nog een groot afscheidsconcert komen in het jongerencentrum waar ze begonnen waren, waarbij allerlei bevriende gastmuzikanten zouden optreden.

 Het werd hun beste optreden ooit. Hij deed alles wat hij moest doen, haalde iedere noot, hij kon inmiddels immers echt zingen, hield de verplichte praatjes tegen het publiek dat in grote getale was komen opdagen en maakte er een foutloze avond van. Hij was toeschouwer van zichzelf. Na twee toegiften meed hij zijn mede muzikanten en het publiek, kleedde zich snel om en ging zonder afscheid te nemen door een achterdeur weg. Thuis kroop hij in bed en genoot van de stilte die in zijn hoofd teruggekeerd was tot hij een sleutel in het slot van de voordeur hoorde.

Hij was zijn vriendin, die in het publiek had gestaan tijdens het concert, helemaal vergeten. Ze betrad de slaapkamer, kleedde zich uit en kwam bij hem liggen. Ze was dolenthousiast over het optreden en ze was hitsig van hem geworden, bekende ze. Toen ze hem even later wild bereed schreeuwde ze: ‘Je bent van mij! Je bent van mij!’ Hij hoopte maar dat zijn bejaarde onderburen echt doof waren en dacht aan de tekst van een nummer van The Gun Club: ‘We can fuck forever, but you never can get my soul!’
En zo is dat, dacht hij aanvaardend.

 © Lammert Voos

Bekentenissen van een dikke man

Reeds op jonge leeftijd was ik een slecht mens. Ik stal geld uit de portemonnee van mijn moeder, kocht daar pornografische strips van en hield mij onledig met uitzinnig masturberen en het imiteren van Eric Clapton op een tennisracket. Clapton was God en ik was goede tweede. We spreken over het begin van de zeventiger jaren en de Ramones hadden ons provinciestadje en mijn verdorven jongenshart nog niet bereikt. We hadden in ons stadje twee platenzaken; eentje gekoppeld aan een rijwielzaak, waar ik de logica niet van inzag, maar me ook niet bijster druk om kon maken; de ander aan een witgoedwinkel waar je nuttige zaken als wasmachines, radio’s en platenspelers kon kopen. Het was bij deze laatste zaak dat ik de duivel in mijzelf ontdekt. Volgens de destijds heersende Gristelijke moraal was masturberen eveneens het werk des duivels en ik zal niet ontkennen dat ik geteisterd werd door schuldgevoelens, maar het waren juist die schuldgevoelens die iedere ontlading niet alleen tot een zuiver lichamelijk feest maakten. Neen, o zalige zonde, zalige schuld om in te wentelen en je mee te omkleden en het was een grote desillusie om te ontdekken dat alle jongens van mijn leeftijd masturbeerden. Waarschijnlijk niet zoveel ik als ik, ik wilde ook weleens ergens het beste in zijn, maar toch, ik bleek niet de grote uitzondering te zijn die ik dacht dat ik was. Ik hoorde klasgenoten zelfs opscheppen over rukwedstrijden, waar ik natuurlijk zelf nooit aan mee zou doen, ik was destijds ook al dik en had een tamelijk moeizame verhouding met mijn lichaam. De jolijt ging er helemaal vanaf toen ik ontdekte dat er zelfs boeken over masturbatie geschreven waren die bestsellers waren. Wat nou schaamte, ik was juist hartstikke modieus, hoewel mijn moeder daar niets van wilde weten, preutse en keurige huisvrouw die zij voorgaf te zijn. Hebberigheid en verzameldrang zijn hinderpalen, vooral als een mens niet beschikt over de liquide middelen om zijn materiële begeerte te bevredigen. Er zaten namelijk grenzen aan de hoeveelheid geld die ik ongemerkt van mijn moeder kon ontvreemden. Het was weliswaar in mijn voordeel dat zij mijn uithuizige broer hevig sponsorde bij zijn cafébezoek, maar ik wist dat haar geheugen angstwekkend scherp was. Ik wist dat omdat ze me voortdurend lastig viel met verhalen over wat haar allemaal voor leed was aangedaan en ze daar geen degoutant detail bij onbesproken liet. En zo kwam het dat ik in de platenzaak met de wasmachines met een dubbelelpee van John Mayall & The Bluesbrakers waar Eric Clapton op meespeelde in de hand stond die mijn roversbudget ruimschoots overtrof. Destijds was ik ook al creatief, dus al snel viel mij in dat ik nog het beste een prijsje van een enkele elpee over het prijsje van deze dubbele kon plakken. Maar ik was destijds nog niet het uiterlijk stoïcijnse slechte mens dat ik nu ben, ik moest daar nog in oefenen, en dus wist ik mijn zenuwen nauwelijks te bedwingen bij het afrekenen van de dubbelelpee. Ik had er bovendien niet op gerekend dat er nog een prijsje onder het prijsje zat dat ik zo vernuftig over had geplakt. Ik dank Beëlzebub op blote knieën dat er destijds nog geen computers bestonden met catalogi waar je even snel de rechtmatige prijs van het begeerde object kunt opzoeken. De verkoopster keek me vorsend aan. ‘Heb je dat prijsje er zelf op geplakt?’ vroeg ze me op scherpe toon. Nu was het zo dat ik wel heel erg geoefend was in woede en verontwaardiging, ik imiteerde gewoon mijn immer zich tekort gedaan voelende ouders, dus ik snauwde dat het een grof schandaal was dat mevrouw mij zomaar beschuldigde en dat ik de plaat niet meer hoefde en nooit, maar dan ook nooit meer een voet in haar winkel zou zetten, er was immers nóg een platenwinkel in de stad! Zuchtend liet ze de plaat in een geel tasje glijden en hoewel ze haar excuses niet aanbood, wilde ze toch wel mijn zo snood verkregen zilverlingen aannemen. Buitengekomen zette ik het uiteraard op een rennen. U zult u wellicht opmerken dat bijna iedere juveniel wel eens iets gestolen heeft, grenzen verkennen en overschrijden hoort immers bij het leefproces des levens, dat maakt de Dikke Man nog niet tot een slecht mens, temeer daar hij niet lang daarna betrapt werd en het pak slaag van zijn leven kreeg van zijn dierbare verwekker en daarna nooit meer geld gestolen heeft, van helemaal niemand. (Wel drank, maar dat is een ander verhaal) Neen, ik wist dat ik een slecht mens was, omdat ik ook nog wraak nam op de nijvere middenstandsdame middels haar zoon die bij mij in de brugklas van de middelbare school zat. Deze jongen was eveneens dik, maar in tegenstelling tot mij was hij geen één meter negentig, doch slechts één meter vijfenzestig en hij had ook geen brede schouders van het roeien, hij was eigenlijk nogal papperig en had bovendien vooruitstekende tanden, hetgeen hem een nogal dommig uiterlijk gaf. Ik liet geen gelegenheid onbenut om hem te treiteren en niemand kwam hem te hulp, want ik was verreweg de grootste en kwaadaardigste van alle jongens. Ik vloerde hem met hockey en voetbal, keerde zijn schooltas steeds weer om in de hal, liet zijn fietsbanden leeg lopen en schold hem uit voor paardenbek. Jongensstreken, zult u misschien denken, maar neen, zo was het niet, ik vond het namelijk leuk om hem te treiteren. En dat terwijl ik wel wist hoe het voelde om getreiterd te worden, mijn lagere schooltijd was immers voor mezelf een hel geweest. Ik genoot van zijn hulpeloosheid, van zijn onvermogen om me op mijn bek te slaan, want dat was wat ik wilde, dat hij me zou proberen te slaan, waarna ik hem natuurlijk totaal de grond in zou stampen uit zelfverdediging. Hij deed het niet. En dus bleef ik hem treiteren tot ik van school geschopt werd. Ik ben een slecht mens, ik wist dat toen al. Ik ben ook een heel angstig mens. Want laat ik nu tijdens een odyssee op het internet een Linkedinprofiel tegenkomen van mijn destijds zo willig slachtoffer. Hij heeft zijn tanden recht laten zetten en is ook niet dik meer. Ik wel. Hij heeft nog steeds een weelderige bos haar. Ik ben kaal. Hij schrijft in zijn profiel dat hij fan is van Eric Clapton. Ik niet meer. Hij woont in Brasschaat, heeft een Ferrari en is letselschadeadvocaat. Ik ben momenteel heel druk om al mijn sporen op het internet uit te wissen. Gelukkig was mijn telefoonnummer al geheim. © Lammert Voos

Übermenschen

Übermenschen Ik probeer mezelf maar wat bezig te houden om de somberheid die altijd bij mij op de loer ligt buiten de ...